SKYBUS よくあるご質問

Peuters en kleuters


Ook kleine kinderen hebben in zekere zin uitleg nodig, zij voelen namelijk wel de sfeer aan en pikken veel op. Jonge kinderen pikken bijvoorbeeld op dat ouders verdrietig zijn, maar begrijpen de reden niet altijd en kunnen denken dat het hun schuld is. Niet praten met kinderen maakt op korte termijn, maar vooral op lange termijn kinderen onzeker. Door geheimzinnig te doen breng je bovendien misschien ongewild over dat het om iets ernstigs gaat (Rozendal & van Spijker, 2009). Niet alle peuters/kleuters stellen vragen, al kunnen die er wel komen. Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Zij stellen vragen die volwassenen niet bedenken. Indien een kind een 'moeilijke' vraag stelt die je als ouders echt niet snel weet te beantwoorden, kan je altijd zeggen: ‘dat is een hele goede vraag, maar ik ben niet zeker hoe ik dat het makkelijkst kan uitleggen. Mag ik er eens over nadenken?'
Peuters/kleuters iets vertellen betekent (Rozendal & van Spijker, 2009):
• Hele concrete zaken vertellen.
• Mondjesmaat informatie geven op een heel eenvoudig niveau. • Niet meer vertellen dan strikt nodig is.
• Herhalen wat je verteld hebt.
• Voorleesboekjes gebruiken om zaken te verhelderen. Soms zijn er ook spontane situaties waarbij een kind kan leren dat iedereen verschillend is (‘laat ons eens tellen hoeveel mensen in de supermarkt een bril dragen/ zwart haar hebben/ groot zijn/ klein zijn/ in een rolstoelzitten, etc). Jonge kinderen verwerken heel veel in spel en dat kan een natuurlijke manier zijn om op 'moeilijke' vragen te antwoorden of het over 'moeilijkere' thema's te hebben. Via kinderboeken -waarbij de held of heldin van het verhaal wel altijd iets speciaals hebben- leren kinderen bovendien dat ze niet alleen zijn, dat iedereen eigenlijk een beetje anders is, dat we allemaal wel eens schrik hebben van wat andere mensen denken en dat dat eigenlijk niet hoeft. Zulke boekjes openen deuren om gesprekken verder te voeren: ‘Weet je nog, die vogel die...’ Hoe sommige ouders het hebben aangepakt en wat hun ervaringen daarbij zijn,kan je hier lezen (in het Engels).




7-12 jaar


Vanaf de leeftijd van ongeveer zeven jaar zijn kinderen in staat een concrete verklaring te begrijpen. Kinderen zoeken weliswaar vooral verklaringen in wat ze kunnen zien, niet in wat ze niet kunnen zien. Iemand is in de ogen van een kind van deze leeftijd niet anders, als er geen zichtbare verschillen zijn (Rozendal & van Spijker, 2009). Het gedrag van kinderen in deze leeftijdsgroep is vooral gebaseerd op straf en beloning. Ze willen straf en afkeuring vermijden, dus ze proberen zoveel als mogelijk te beantwoorden aan wat er van hen verwacht wordt. Het nieuws van een verschil of variatie in het lichaam, kan gezien worden als een straf, iets dat ze niet goed hebben gedaan. Het helpt te benadrukken dat je kind ermee geboren is, en dat je daar nooit schuld aan kunt hebben (Rozendal & van Spijker, 2009).
Kinderen vanaf tien jaar kunnen begrijpen dat een lichaam zich op verschillende manieren kan ontwikkelen (of dat er verschillende wegen zijn om van punt A naar B te gaan), en dat dat ons elk anders maakt. Ze begrijpen ook meer van het begrip erfelijkheid en dat we fysieke eigenschappen of karaktereigenschappen doorkrijgen van onze ouders. Een visueel (Engelstalig) boekje dat hierop inspeelt, vind je hier. Vanaf deze leeftijd kunnen kinderen zich ook een beeld vormen van de toekomst, en staan ze niet langer alleen stil bij de concrete werkelijkheid van het hier en nu. Kinderen leren ook omgaan met kansen en risico's, bijvoorbeeld van erfelijkheid en onvruchtbaarheid. Het kinderboek ‘Een kleine kans’ van Marjolijn Hof beschrijft dat mooi. Wat betreft doktersonderzoeken, informeer je kinderen vooraf zo best zo concreet mogelijk over wat hen te wachten staat. Ze willen weten wat er werkelijk gaat gebeuren: of het pijn doet, drukt of knelt, is een apparaat koud of warm, in welke lichaamshouding vindt het onderzoek plaats, naar welke informatie zal de dokter vragen etc. Bedenk vooraf samen met je kind wat houvast kan geven als het opziet tegen een onderzoek. Welke hulpmiddeltjes kan het gebruiken om ter plekke angst, hinder of kortdurende pijn (bv bij bloedprikken) te verminderen? De fantasie van je kind kan hierbij helpen. Een mooie steen of knikker in hun zak bijvoorbeeld kan hen 'kracht' geven tijdens het bloedprikken. Als een kind aangeeft dat het een bepaald lichaamsonderzoek dat niet medisch noodzakelijk (bv genitaal onderzoek) echt niet wil, probeer dat dan ook te respecteren als ouder. Heel wat ouders willen hun kind ‘beschermen’, hun kind zo lang mogelijk ‘kind laten zijn’ en stellen het uit om het over variaties in lichamen, behandelingen of keuzes en vruchtbaarheid te hebben in het teken van een 'onbezorgde jeugd'. Natuurlijk wordt het kind met een lastig onderwerp belast en het is moeilijk om van tevoren de reacties goed in te schatten. Het vergt ook van ouders een zekere moed en ouders moeten kunnen omgaan met de eigen emoties. Dit betekent dat ze eerst zelf een zekere balans moet hebben gevonden in het omgaan met de uitslagen van de onderzoeken en de consequenties van de variatie. Heel wat volwassenen met variaties in sekse-kenmerken geven echter aan wel dat dat als kinderen het gevoel hebben dat ze steeds terecht kunnen bij hun ouders of gezin met vragen en dat er open over gecommuniceerd kan worden, dat dat ook zelfvertrouwen in de hand kan werken. Openheid geeft het kind een basis van vertrouwen en gelijkwaardigheid. Een kind leert zo dat hij met vragen bij zijn ouders terecht kan. En de ouders hoeven geen onwaarheden te vertellen, die ze later weer moeten terugnemen. Kinderen die veel openheid ervaren en al vroeg begrijpen waarom ze bij de dokter komen en betrokken worden in het maken van medische beslissingen, hebben later meer greep op de situatie en hebben het ook makkelijker hebben om hun lichaam te aanvaarden (Rozendal & van Spijker, 2009). Van belang is dat kinderen door de jaren heen zelf de touwtjes in handen krijgen over hun eigen lichaam en gezondheid, en dat kan alleen als ze ook worden ingelicht.




Pubers


Jongeren hebben in deze fase al hun handen vol aan hun eigen lichaamsveranderingen (of uitblijven van die veranderingen). Daarnaast maken ze zich los van hun ouders en zoeken de grenzen hierin op. Ze ontwikkelen zich op het gebied van relaties. De mening van leeftijdgenoten telt sterk. Ze ontdekken en ontwikkelen hun identiteit en hun seksuele geaardheid. Ze groeien dus van kind naar volwassene. Dit vraagt veel energie en uitproberen. Dat alles maakt hen soms onzeker en kwetsbaar. Als een jongere in de puberteit nog helemaal van niets weet, kan de informatie veel verwarring geven. Sommige variaties in sekse-kenmerken worden echter pas voor het eerst 'ontdekt' in de puberteit. Soms bevestigt die informatie alleen maar wat de jongere al (onbewust) vermoedde of aanvoelde. Als ouder kan je uiteenlopende reacties verwachten. Ze zijn allemaal 'normaal' en begrijpelijk; ook boosheid. Probeer een 'gedeelde' taal met de jongere te ontwikkelen over de variatie in sekse-kenmerken, en vraag ook welke woorden zij verkiezen om erover te spreken. Dokters en artsen zullen soms medische woorden gebruiken in consultaties die voor de jongere zelf niet echt gewenst zijn en die ook een impact hebben op hun zelfbeleving. Vragen aan de jongere wat de impact van sommige woorden is, en hen vragen hoe ze willen dat andere mensen hun variatie begrijpen, kan hen helpen om met een eigen woordenschat op de proppen te komen die voor henzelf goed voelt en inspeelt op hun sociale en emotionele behoeften, en hen tegelijk ook autonomie geeft. Veel volwassenen kijken op tegen moeilijke gesprekken met hun kinderen, maar anderzijds gaan jongeren er soms ook van uit dat er met hun ouders toch niet te praten valt. Ze zijn zich ook van hun ouders aan het losmaken. Het is goed dit aan te moedigen als je kind ervoor kiezen om buiten het gezin vertrouwelijk te praten over de vragen en zorgen die hen bezighouden.
Stimuleer ook andere kanalen om zich te uiten; veel jongeren zijn geen praters. Ze overdenken en voelen veel maar kunnen er moeilijk woorden voor vinden. Samen regelmatig een activiteit doen geeft een sfeer van samenhorigheid en nodigt uit tot spontaan bespreken.Forceer wel niets, want dan bestaat ook het risico dat je je kind meer belast met je zorgen dan je eigenlijk wil. Ten slotte kan ook contact voor de jongere zelf met leeftijdsgenoten met een gelijkaardige ervaring/conditie veel ondersteuning en perspectief bieden; anderzijds ook voor de ouders met andere ouders.